Kerkje

De Kleine Bartholomeuskerk

De Kleine Bartholomeuskerk is een beukig gebouw met romaanse westtoren en een waarschijnlijk 17de-eeuws schip en koor op veel oudere grondslag, staat vrij op het omhaagde kerkhof ten zuiden van de Rijksstraatweg in de kom van het dorp. De kerk en toren zijn eigendom van de Nederlands Hervormde Gemeente.

 

De Hervormde kerk gezien vanuit het zuidwesten met doorzicht op de Ooijpolder, de Duffelt en de Eltenerberg. Schets door C. Pronk, 1731. r.p.k., Amsterdam, schetsboek ii, 23.

Geschiedenis

Tot in de eerste helft van de 16de eeuw was de oude kerk van Beek een kapel, gesticht vanuit Zyfflich. Het bedehuis lag binnen het kerkgebied van het Zyfflichse, later naar Kranenburg verplaatste kapittel, dat het collatierecht bezat. In een oorkonde van 1388 worden Arnold Bonart en Johann van Drummen genoemd als rector van de ‘kerk of kapel in Beke’. Toen het kapittel in 1536 van Zyfflich naar Kranenburg overging, is de kapel tot parochiekerk verheven. In 1569 was er aan de kerk een vicaris verbonden, die de verplichting had in zijn parochie te resideren. In 1602 werd de kerk met de pastorie in beslag genomen door de Hervormden, die ook de kerkelijke goederen aan zich trokken. Voorafgaand was al in 1591 de toenmalige pastoor van zijn ambt ontheven. Volgens een opgave voor de Statistieke beschrijving van de provincie, opgemaakt in het jaar 1808, zou echter na het overlijden van de laatste pastoor Theodorus Druppel het oude kerkgebouw zijn blijven leegstaan.

In 1699 werd door de Classis der Hervormde Predikanten van Nijmegen Theodorus Thijssen als eerste predikant van Beek benoemd. In 1796 werd op gezag en autorisatie van de toenmalige Landschapsvergadering door een commissie uit het Kwartier van Nijmegen een provisionele schikking gemaakt, waardoor de Katholieken werd toegestaan voor de middag dagelijks van het kerkgebouw gebruik te maken. De Hervormden bleven in het bezit van de goederen, maar kregen wel de plicht om het gebouw te onderhouden. In de periode dat de kerk als simultaankerk dienst deed van 1796-1826 zijn er weinig of geen reparaties uitgevoerd.

De Hervormde kerk en het schooltje in het begin van de 19de eeuw. Schilderij, olieverf op doek, in het bezit van de Hervormde Gemeente Beek-Ubbergen

Blijkens een gedenksteen in de toren is er voordien in 1782 nog een herstel uitgevoerd. De Hervormden hadden evenwel ook de beschikking over de Ubbergse kapel. Toen in 1824 het Beekse kerkje wegens bouwvalligheid moest worden gesloten, trokken zij zich terug in Ubbergen en zagen de Katholieken zich genoodzaakt voor de toren op het kerkhof een houten loods te bouwen. In 1826 toen de Katholieken op de Kerkberg een nieuwe kerk hadden gebouwd, kregen de Hervormden weer de volledige beschikking over het oude gebouw, dat zij na een grondige opknapbeurt opnieuw betrokken.

In 1905-1906 ging men over tot een restauratie van de toren. De werkzaamheden werden uitgevoerd onder leiding van de Nijmeegse architect F. Ludewig. Kort daarop werd ook het kerkgebouw gerestaureerd. Het werd geheel ontpleisterd en van nieuwe vensters voorzien. Op de plaats van de tegen het oude rechtgesloten koor aangebouwde dorpsschool werd een nieuwe koorpartij gezet met een kleine aanbouw tegen de zuidzijde. De gehele campagne was in 1909 gereed .

  De Hervormde kerk met de in 1909 voltooide koorpartij

 De Hervormde kerk na de restauratie van 1909

In 1944 heeft de kerk tijdens het geallieerd offensief ernstige schade geleden. De kerk werd in de jaren 1948-1950 grondig gerestaureerd door architect G. Feenstra uit Arnhem.

Het interieur gezien naar de toren (opn. 1977).

Het kerkgebouw is in zijn huidige gedaante vooral het resultaat van de restauraties die plaatsvonden in de jaren 1906-1909 en 1948-1950. Voor het eerstgenoemde jaar was het gebouw zowel in- als uitwendig volledig gepleisterd. De door Scheepens gemaakte opmetingstekening uit 1895 en een foto uit 1906 (afb. 171, 170) geven daarvan een goed beeld. In deze gestalte gaf het kerkgebouw nauwelijks iets prijs van zijn ouderdom. Zowel de Nijmeegse archivaris Van Schevichaven als de bouwkundige Scheepens stelden in een artikel en een bouwkundig rapport: ‘Geen spoor van oudheid echter is in het kerkje te ontdekken; witsel en stucco hebben hun werk grondig verricht’. In 1906-1909 sloot tegen de rechtgesloten koorpartij een woning aan voor de koster-schoolmeester. Deze aanbouw moet dateren uit het begin van de 19de eeuw. Hij komt op de Figuratieve Kaart van de heerlijkheid uit 1756 nog niet voor.

In 1826 hebben de Hervormden, weer alleen in het bezit van de kerk, het gehele gebouw grondig hersteld en daarbij ook de vensters die op de opmetingstekening van 1895 voorkomen laten aanbrengen. In 1906-1909 heeft men die vensters kennelijk weer vervangen door rondbogige vensters en heeft men ook de kappen vernieuwd. Nog afgezien van de voorgaande herstelbeurten, die zich volledig aan de waarneming onttrekken, hebben de restauraties van 1826 en 1906-1909 weinig mogelijkheden gelaten om met name tot een precieze datering van het schip te komen. Opmerkelijk is de oorspronkelijke plattegrond van het kerkgebouw met zijn korte schip en het tamelijk diepe rechtgesloten koor, waartegen de romaanse toren aansluit. Qua verhoudingen en maatvoering is de kleine Beekse kerk in dispositie vergelijkbaar en mogelijk verwant aan de oude kerkplattegronden van het vroeg-romaanse type, waarvan dank zij het na-oorlogse bodemonderzoek ook in de nabije omgeving vele voorbeelden zijn blootgelegd.

In Beek is tijdens de restauratie van 1948-1950 een dergelijk archeologisch onderzoek niet uitgevoerd. Het is evenwel zeer goed mogelijk dat de kerk naar verhouding tamelijk jong 17de-eeuws muurwerk op een veel oudere grondslag heeft. De ouderdom van de toren, die is opgetrokken uit tufsteen en andersoortige natuursteen waaronder blokken van zeer groot formaat, versterkt deze idee. Van Schevichaven veronderstelde in 1904 al dat het koor het oudste gedeelte is, het oorspronkelijke kapelletje; westelijk hiervan zou vervolgens een breder schip zijn aangebouwd en ten slotte de toren bij de verheffing tot parochiekerk in 1536. Van Schevichaven en ook Scheepens kwamen tot deze bouwfasering die in ouderdom van oost naar west loopt, zonder te weten dat de toren in werkelijkheid aanzienlijk ouder was dan het schip in zijn toenmalige gedaante vanwege de totale bepleistering van het kerkgebouw en de toren. Of een dergelijke bouwfasering voor schip en toren moet worden aangehouden blijft nog een vraag.

De bouwontwikkeling kan als volgt zijn verlopen: 1 de bouw van het schip met het koor, later gevolgd door de bouw van de toren, of 2 gelijktijdige bouw van kerk en toren. Dat het schip oorspronkelijk ook van tufsteen is opgetrokken indiceert nog een verticale rand van tuf in de westelijke schipmuur noordelijk aansluitend bij de uit dit materiaal opgetrokken torenvoet. Het oorspronkelijke, althans oudst traceerbare schip kan uit de 11de eeuw of zelfs vroeger hebben gedateerd. Schip en koor zijn waarschijnlijk na een calamiteit die nieuwbouw noodzakelijk maakte in het midden van de 17de eeuw herbouwd in baksteen op de oude grondslagen, waarbij tegelijkertijd de toren in diezelfde steensoort is verhoogd. Tegen de koorpartij verrees vervolgens de hierboven reeds vermelde school met onderwijzerswoning, die in 1909 heeft plaatsgemaakt voor de veelhoekige koorsluiting. De restauratie van de toren werd in 1906 begonnen en beperkte zich hoofdzakelijk tot een constructief herstel en het ontpleisteren van de gevels. Men heeft toen de toegangspoort, waarvan niet duidelijk is of hij uit de 17de eeuw of wel uit 1826 stamde, vervangen door de huidige rondbogige, op romaanse vormen geïnspireerde ingangspartij. In 1950 werd de in 1944 opgelopen oorlogsschade hersteld onder leiding van architect G. Feenstra uit Arnhem.
De restauratie van begin twintigste eeuw is slecht uitgevoerd. Door ernstige bouwkundige fouten begint het kerkje ernstig in verval te raken. De muren vertonen grote scheuren. Het kerkje zelf en ook de toren, staan op instorten.
In 2002 vindt dan de grote en hopelijk definitieve restauratie plaats. Zijbeuken, gordingen, dak, toren, vloeren, binnenwanden, orgel, ramen, bijna alles wordt hersteld of vervangen.
In 2003, om precies te zijn op 31 december, gaat het kerkje en de omliggende begraafplaats over in handen van de Stichting Kleine Bartholomeuskerk. De stichting heeft zich verplicht het behoud van het kerkje tot in lengte van jaren zeker te stellen.

Bron: digitale bibliotheek voor de Nederlandse Letteren

De orgels in het kerkje

 

In het kerkje is een groot ingebouwd orgel. Dat is van recente datum en pas na de tweede wereld oorlog in het kerkje geplaatst. Daarnaast staat er in het kerkje een uniek antiek ‘secretaire’ orgel van Strümphler uit 1805. Het heeft in 2003-2004 een restauratie ondergaan. Het wordt regelmatig bespeeld tijdens kerkdiensten en andere vieringen, concerten e.d. Indien u dat wenst kunnen wij voor u een organist regelen die het orgel kan bespelen bijvoorbeeld bij een huwelijk of doopplechtigheid. Johannes Stephanus Strümphler was een achttiende eeuwse orgelbouwer en behoorde tot de Lutherse Kerk. Hij woonde in die jaren in Amsterdam en bouwde verschillende kleine en middelgrote orgels. Verder maakte hij een groot aantal huispijporgels. Deze orgels stonden vaak op de deel bij de boeren want dan hoefde er geen belasting over betaald te worden omdat het als een secretaire werd aangezien. Een blaasbalg werd vaak aangedreven door een kind maar is nu aangepast aan de moderne tijd.